Baziel-moppen

GIJMEL - WESTEL - HERTBERG - SIL-WESTER-LOOP

Baziel moest naar Brussel bellen. Aan de andere kant zei de telefoniste: "J'écoute." "Ik ook," antwoordde Baziel, " 'k hen zelfs stief koed."

Zei de dokter: "Baziel, gij hebt gij zeker dikwijls dorst?" "Ba neen 'k meneere den dokteur," antwoordde hij, "'k en loaten ik dat nooit zo verre kommen."

Toen Baziel thuis kwam vroeg Zulma: "Hoeveel heb je d'er nu weer gedronken?" Baziel: "Zulma, 'k gon ik ip café vor e pientje te drinken en nie vo te leren tellen."

Baziel zag een pastoor met een 'col romain'. "Wa wil da zeggen, zo'n averechtse col?" vroeg hij. "Dit wil zeggen dat ik Vader ben." antwoordde de priester. " 'k Zien ik ook voder," zei Baziel, "mo 'k dragen ik mien kol nie averechts." "Ja maar," lachte de pastoor, "ik ben Vader van duizenden." Zei Baziel: "Zoe je ton nie beter je broek averechts andoen?"

Zulma lag op sterven. De verpleegster had een brandende kaars in haar handen gestopt. Zei Baziel: "Zulma, os je wil dood goan, je zoed er beter e gedacht van maken, want anders go je nog je' n pooten verbranden."

Baziel liep zo zat als een kanon door de nacht. Hij strompelde van lantaarnpaal tot lantaarnpaal. Aan een late voorbijganger vroeg hij: "Menere, zoe je e ki kunnen tellen hoeveel buulen da'k ip m'n voorhoofd hèn?" "Drie," antwoordde de voorbijganger. " 't Is goed," zei Baziel, "nog twee lanteirens en 'k zien thuus."

"Baziel, je kiek zo rare. Wa schilt er?" Baziel: " 'k Hen juuste e boekstje gelezen met e gheel triestig ende." Zulma: "En waffer boekstjie is da?" Baziel: "Ons spoarboekstjie."

Baziel kwam thuis: een gat in de nacht en met een stuk in zijn kraag. Zonder sleutel, moest hij aanbellen. Zulma riep van achter de deur: "Is 't gie, Baziel?" En Baziel: "Hoe zoe dadde, kommen d'er hier nog andere ook dè?"

In de Arbeidsbemiddeling moest Baziel weeral eens een formulier invullen.Er stond een vraag: "Werkt uw echtgenote; zo ja: waar?" Schreef Baziel: "Ja, op mijn zenuwen."

Om bij de vuilnisdienst te worden aangeworven, moest Baziel aan een examen meedoen. "Kun je tellen tot tien?" vroeg men hem. Hij antwoordde: "Een, twee, drie, viere, vuuve, zesse, zevene, achte,negene, tiene." "Uitstekend," zei de examinator, "en kun je nog verder tellen ook?" "Ja 'k," antwoordde Baziel, "de zot, de vrouwe en den here."

Baziel werd ingeschreven als werkzoekende. Vroeg de ambtenaar: "En wat is je beroep?" Baziel: "Ik jagen ip everzwijns in Brugge." De ambtenaar: "Maar er zijn toch geen everzwijns in Brugge!" Baziel: "En worom peis je wel da'k moeten gon doppen?"

Baziel kwam weer een gat in de nacht thuis. Zei hij tegen Zulma: "Ieder ki dat er e kalant weggieng begosten d'andere kwood te klappen over zien vrouwe. 'k Zoen nie willen da ze van joen kwood klappen Zulma, zo 'k zien gebleven toe den latsten."

Een Frans madammeke kwam op Baziel zijn hofstede. "Oh, que ça pue ici," riep ze. En Baziel in zijn beste Frans: "Ca c'est niks madamtje, ce sont mes koei."

Zulma was zwaar ziek en moest berecht worden. Vroeg de pastoor: "Baziel heb je geen kaars, een beetje wijwater en een palm?" "Een keirsse en wiewoter hemme," antwoordde Baziel, "mo gin Palm. Is e Jupiler ook goed?"

Baziel zit in zijn vissersplunje aan de toog.  Plots komt er een jonge vrouw naast hem zitten.  Na een minuutje kijkt ze naar Baziel en vraagt: "Zie je gie een échte visscher?"  "Wel" zegt Baziel, "'k zien an me 14 joar voe 't eist in zee gegaan, en'k 'en heel me leven in alle weer en wind gevist, gegut, geijsd, gelost en netten gebreid.  Dus je meug me gerust en échte visser noemen."  "En?" vraagt Baziel, "Wat zie je gie?" "Wel," antwoordt de jonge vrouw: "Ik zien e lesbienne.  Van os da'k ip stoan denken 'k aan wuven.  'k Peizen an wuven onk douchen, onk wasschen en kuschen.  'k Moen altijd mo peizen an wuven."  Even later vertrekt de jonge vrouw, en er komt een koppel Ollanders naast Baziel zitten aan den toog.  "Ben je een échte visser?" vragen ze.  "Wel," zegt Baziel, "'k 'en dat altied gepeisd, mo 'k en nu juste vernomen dan'k in feite lesbisch zien."

Hector vond Baziel in alle staten, tranen wenend met tuiten. " 't Is me voder die dood is," zei hij. Er werd getelefoneerd en na het gesprek kwam Baziel nog heviger wenend binnen. "Een oengeluk komt toch nooit ollene," zei hij, " 't was men broere die belde, z'n voder is ook dood."

Bazielmoppen    Grappige brieven...en teksten...         Intussen aan den toog...   Doordenkertjes